Het aanbrengen van een nieuw kasdek en eventueel ophogen van de kas kan economisch interessant zijn. Of dat zo is, hangt sterk af van het bedrijf, de teelt en de omstandigheden ter plaatse. Voorwaarde is in elk geval dat een hogere productiewaarde kan worden gerealiseerd. Dat blijkt uit de studie 'Kassen verdekken biedt perspectief; Teelt- en bedrijfssituatie bepalen het resultaat' van het LEI, onderdeel van Wageningen UR.
Nieuwe glassoorten die op de markt zijn gekomen, zoals diffuus glas, gecoat glas en behandeld glas, hebben een positief effect op de productie en/of op het energiegebruik in de kas. De economische malaise op het ogenblik maakt dat zeer grote investeringen, zoals in een compleet nieuwe kas al of niet op dezelfde locatie, minder voor de hand liggen. Daardoor is het de moeite waard om de perspectieven van het zogenaamde verdekken te onderzoeken.
Op het denkbeeldige tomatenbedrijf waarmee het LEI als voorbeeld heeft gerekend is er een investering nodig van € 68,- per vierkante meter om de kassen op te hogen, te verdekken met diffuus en gecoat glas en de kasinrichting te revitaliseren - bijvoorbeeld een tweede scherm aan te brengen.
De kapitaalslasten worden lager omdat de levensduur van de kas langer wordt, en de energiekosten worden lager. Aan de andere kant zijn er de investeringskosten en een productieonderbreking om de technische aanpassingen mogelijk te maken. Over het geheel genomen is op dit bedrijf een verbetering van de productiewaarde met 10% nodig om de investering terug te verdienen. Zonder het ophogen van de kas zou het om 7% verbetering moeten gaan.
Soortgelijke berekeningen zijn gemaakt voor een denkbeeldig Lisianthus- en Phalaenopsisbedrijf. Daar bleek een verbetering van de productiewaarde met 5 resp. 4% voldoende te zijn.
De grootste mogelijkheden om te verdekken liggen volgens de studie van het LEI in de glasgroente- en de snijbloementeelt omdat de bedrijven daar gemiddeld groter zijn, wat gunstig is voor de kosten per vierkante meter.
Maken de consumenten toch een onderscheid naar duurzaamheid in de winkel, dan gebeurt dat in het algemeen op grond van de verpakking of van de aanwezigheid van een keurmerk dat op scharrel, biologisch of dierenwelzijn duidt.
De begrippen 'milieuvriendelijk' en 'diervriendelijk' blijken makkelijker te hanteren. Wel zijn er op dit punt verschillen tussen groepen consumenten. Degenen die zich meer betrokken voelen bij het streven naar duurzaamheid, zeggen meer te weten over duurzaamheid en gezondheid en hebben ook minder moeite met het beoordelen van producten op die kenmerken. Zij hebben overigens ook een ander beeld van duurzame en gezonde producten dan de minder betrokken consumenten.
Wil men het gedrag van consumenten beïnvloeden, dan is om die reden een benadering per doelgroep aan te bevelen, zeggen de onderzoekers. Ook zal het in dat geval helpen om te communiceren over meer concrete eigenschappen zoals dier- en milieuvriendelijkheid, in plaats van over het nog wat vage 'paraplubegrip' duurzaamheid.
De resultaten in het eerste kwartaal van 2012 zijn voor de meeste veehouderijsectoren hoger dan in het eerste kwartaal van 2011. Ook ten opzichte van het gemiddelde van de eerste kwartalen van de laatste jaren (2006-2011) springt het afgelopen kwartaal er gunstig uit. Dit blijkt uit de resultaten die het LEI publiceert via de Barometer Agrarische Sectoren. De opbrengstprijzen van melk, vleeskuikens, vleesvarkens en biggen liggen hoger dan een jaar geleden. Ook de voerprijs is echter iets hoger. Voor de vleesvarkenshouders geldt wel dat ze duurdere biggen moesten kopen, waardoor het resultaat iets minder goed was. Bij deze laatstgenoemde sector is ook wel duidelijk sprake van een seizoenpatroon; de bedrijven moeten het normaal gesproken niet hebben van het eerste kwartaal. In 2010 daalde het aantal vernieuwende bedrijven in de land- en tuinbouw naar 14,1%. Ondanks deze daling ten opzichte van 2009, lag het totaal percentage vernieuwende bedrijven nog wel hoger dan in de jaren 2005-2007.
Dat blijkt uit de jaarlijkse innovatiemonitor-enquête van het LEI onder ondernemers in de land- en tuinbouwsector. Het LEI beschrijft de enquête-resultaten in het artikel Innovatie en vernieuwing in de land- en tuinbouw in 2010 gedaald. De oorzaak van de daling is grotendeels toe te wijzen aan de slechte bedrijfsresultaten van deelsectoren van de land- en tuinbouw in 2008 en 2009.
Stijging
Wel steeg het aandeel innovatoren in de land- en tuinbouw tot 3%. Dit zijn bedrijven die een product- of procesinnovatie uitvoerden, waarmee zij de eerste waren in Nederland.
Motieven
Veelgenoemde motieven voor vernieuwingen in 2010 zijn: dierenwelzijn, arbeidskosten, het verbeteren van de marktpositie en het verbeteren van het imago van de bedrijfstak.
De verantwoordelijkheid voor de biodiversiteit wordt meer en meer een onderdeel van het bedrijfsleven. Bedrijven raken betrokken bij natuurbescherming en betalen vaker mee aan natuurbeheer in de buurt van hun productielocaties. Bij het verduurzamen van de productie speelt het onderwerp biodiversiteit nog vooral bij de directie. Op hun duurzaamheidsagenda krijgt het aandacht, maar bedrijven weten de voornemens op de werkvloer nog weinig handen en voeten te geven. Dat blijkt uit onderzoek van LEI, onderdeel van Wageningen UR.
Maatschappelijk draagvlak
Bedrijven hebben steeds beter in de gaten dat natuur en biodiversiteit ook in hun eigen belang is vanwege kostenbesparing, waarborgen van grondstoffen, versterken van de concurrentiepositie, en risico- en reputatiemanagement. Ook de ‘license to operate’, het maatschappelijk draagvlak voor de bedrijven, speelt daarin een rol.
Duidelijke spelregels
Toch kan er nog veel meer gebeuren, constateren de onderzoekers op basis van een groot aantal interviews met bestuurders uit het bedrijfsleven. Want het schiet vaak nog niet zo op met de daadwerkelijke implementatie van de groene voornemens. Bij de meeste bedrijven is er een kleine afdeling maatschappelijk verantwoord ondernemen of een duurzaamheidsmanager die direct onder een afdeling ‘corporate affairs’ valt. Deze ontwikkelt een strategie voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en indicatoren om resultaten te meten. Samen met de afdeling communicatie rapporteert deze over duurzaamheid, onder andere via het jaarverslag. Maar daar blijft het in meer of mindere mate bij. De meeste bedrijven erkennen dus het belang van biodiversiteit en het onderwerp is op hun agenda gekomen maar hebben echter nog niet duidelijk voor ogen hoe biodiversiteit in hun plannen een rol kan gaan spelen. Ze vinden dat daar dan ook een taak ligt voor de overheid: de overheid zou een kader moeten bieden met duidelijke spelregels dat voorlopers beloont en achterblijvers erbij probeert te betrekken.
Concrete acties
De onderzoekers concluderen daarom ook dat voorlopig de overheid en maatschappelijke organisaties nodig blijven om bedrijven te stimuleren om de goede beleidsvoornemens ook daadwerkelijk om te zetten in concrete acties en nieuwe productieprocessen.
Meer informatie:
WOt-paper 15. Overbeek, M.M.M., B. Harms & S.W.K. van den Burg (2012). Biodiversiteit leeft nog vooral bij de directie van bedrijven. Wageningen, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, Wageningen UR.
WOt-werkdocument 274. Overbeek, M.M.M., B. Harms & S.W.K. van den Burg (2012). Internationale bedrijven duurzaam aan de slag met natuur en biodiversiteit; voorstudie bij de Balans van de Leefomgeving 2012. Wageningen, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, Wageningen UR.
Onderzoekers kunnen via een combinatie van geografische informatiesystemen (GIS) en statistische analyse bepalen waar in Afrika meer, of juist minder kans is op het verbeteren van de oogst. Het LEI, onderdeel van Wageningen UR, ontwikkelde een methode waarbij zij zogenaamde hot spots en cold spots kon vinden wat betreft het oogsten van maïs.
In Afrika bestaan grote verschillen tussen de potentiële opbrengst en de werkelijke opbrengst van maïs. Dit verschil, de yield gap, hangt samen met het gemak waarop boeren toegang hebben tot de markt en met de hoeveelheid kunstmest die zij gebruiken. In het rapport ‘Mapping maize yield gaps in Africa’ zochten LEI-onderzoekers onder andere naar hot spots (clusters van gebieden met grote yield-gaps) en cold spots (clusters van gebieden met kleine yield gaps).
Correlatie
Een goede markttoegang en veel kunstmestgebruik betekent meestal een kleine yield gap en vice versa. De methode van het LEI maakt duidelijk dat dit niet overal het geval is. In sommige gebieden gaat een goede markttoegang en veel kunstmestgebruik juist gepaard met een grote yield gap. In deze gebieden belemmert een andere factor het verhogen van de maïsopbrengst. Het feit dat ruimtelijke markeringen vaak samenvallen met administratieve grenzen, doet vermoeden dat politiek-institutionele factoren een rol spelen.
Weersverzekering
De methode van het LEI kan bepaalde interventies ondersteunen op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Zo kan het laten zien op welke plekken het nuttig is om geïndexeerde weersverzekeringen te starten.
Het saldo per maand van leghennenbedrijven is in februari en maart van 2012 sterk opgelopen. De eierprijzen waren hoog door het krappere aanbod vanwege de omschakeling naar scharrelhuisvesting en door de grotere vraag rond Pasen.
In de meeste jaren is er sprake van een prijsstijging richting deze feestdag, maar dit jaar is de piek erg hoog. Het saldo over het eerste kwartaal komt uit op € 122.000,- per bedrijf, wat ver boven het gemiddelde van de afgelopen zes jaar is. Alleen 2010 kende een betere start.
In maart 2012 kwam de eierprijs uit op gemiddeld € 1,83 per kilo. Vorig jaar werd in maart per kilo slechts € 0,75 ontvangen. Aan het eind van de maand kwam een kentering in de prijsontwikkeling en werd 25 cent van de prijs afgesnoept. Nadelig voor de leghennenbedrijven zijn de hoge voerprijzen. Die liepen vanaf tweede helft 2010 zeer sterk op, daalden eind 2011 iets, maar zitten inmiddels weer in de lift. De markt voor voedergrondstoffen is onzeker en instabiel door ontwikkelingen in Oekraïne en Zuid-Amerika.
Bekijk de figuren en de verdere analyse bij de Barometer Agrarische Sectoren, onderdeel 'leghennen'.
Het Rijk, de gemeenten en de provincies kunnen de ontwikkeling van nieuwe landgoederen gemakkelijker maken voor initiatiefnemers. Het Rijk kan de belastingaspecten duidelijker maken, de gemeenten kunnen zich actiever opstellen en zorgen dat ze de nodige kennis in huis halen, de provincies kunnen de gemeenten beter adviseren en bestaande stimuleringsmaatregelen in stand houden. Dat blijkt uit een onderzoek van het LEI, onderdeel van Wageningen UR.
Het demissionair kabinet-Rutte streeft bij het realiseren van nieuwe natuur naar een grotere betrokkenheid van mensen uit de streek. Particulieren die nieuwe landgoederen willen ontwikkelen, kunnen daarbij een rol spelen. Een nieuw landgoed is een door particulieren ontwikkeld terrein van minstens vijf hectare bos en natuur maar eventueel ook andere gronden, dat voor minstens 90% is opengesteld voor publiek. Sinds halverwege de jaren negentig probeert de overheid de ontwikkeling van zulke landgoederen te stimuleren, maar met tegenvallend succes. Dat was voor het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aanleiding om het LEI te vragen, de beschikbare mogelijkheden te onderzoeken.
Die mogelijkheden blijken er genoeg te zijn. Er is echter ook een aantal knelpunten dat ervoor zorgt dat de beschikbare mogelijkheden toch niet voldoende worden gebruikt. Zo hebben de gemeenten weinig ervaring met en dus weinig parate deskundigheid op het gebied van nieuwe landgoederen. Informatie over regels en fiscale voorzieningen is bovendien versnipperd en er kunnen zich belastingproblemen voordoen. Voor de initiatiefnemers ligt er ook een aantal drempels. Vanuit de omgeving kan makkelijk weerstand komen tegen plannen voor nieuwe landgoederen; de ontwerpfase en het doorlopen van procedures rond het bestemmingsplan vragen veel tijd. De exploitatie van nieuwe landgoederen is ook vaak moeilijk rond te krijgen. Rijk, provincies en gemeenten kunnen ieder een aantal van deze hindernissen wegnemen, concludeert het LEI.
De antibioticawijzer is een handig hulpmiddel om inzicht te krijgen in het antibioticagebruik op het eigen bedrijf. Het resultaat is het antibioticagebruik van het eigen bedrijf uitgedrukt in dagdoseringen, ten opzichte van een referentiegroep van bedrijven. De antibioticawijzer is bedoeld voor bewustwording en een kritische blik op het antibioticagebruik van het eigen bedrijf.
Momenteel zijn er tweeduizend gebruikers geregistreerd in de antibioticawijzer. Die gebruikers hebben samen gegevens van 11,7 duizend bedrijven ingevoerd van melkvee, varkens, vleeskuikens of vleeskalverbedrijven.
Dagdosering
Het aantal dagdoseringen per dierjaar is de maat waarin het antibioticagebruik wordt uitgedrukt. Het aantal dagdoseringen is het aantal dagen dat een dier uit de populatie (een koppel, stal of bedrijf) gemiddeld is blootgesteld aan antibiotica. Om de dagdosering per bedrijf te kunnen uitrekenen zijn alleen dieraantal en aangekochte hoeveelheden antibioticum nodig.
De omzet in de multifunctionele landbouw is tussen 2007 en 2011 met 52 procent toegenomen tot 491 miljoen euro. Dit is vergelijkbaar met de biologische sector en hoger dan de vollegrondsgroenteteelt. In totaal doen 13.900 bedrijven aan multifunctionele landbouw. Dit is twintig procent van het totaal aantal agrariërs in Nederland. Zij hebben samen dertig procent van de landbouwgrond in gebruik. Dit blijkt uit het onderzoek 'Kijk op Multifunctionele landbouw; OMZET en IMPACT 2007-2011' van Wageningen UR (dat in opdracht van de Taskforce Multifunctionele Landbouw is uitgevoerd). De meting volgde op een nulmeting in 2007 en een 1-meting in 2009.
De groei die tussen 2007 en 2009 zichtbaar was, heeft zich tussen 2009 en 2011 voortgezet. Er zijn grote verschillen in omzet tussen de sectoren die de Taskforce onderscheidt binnen de multifunctionele landbouw. Recreatie is met 156 miljoen euro de grootste sector, gevolgd door boerderijverkoop met 147 miljoen. Daarna volgen natuurbeheer (86 miljoen euro) en zorglandbouw (80 miljoen euro). Kinderopvang (20 miljoen) en educatie (2,2 miljoen) zijn qua omzet het kleinst. Bij kinderopvang zijn er grote verschillen. Zo zorgt een zestigtal bedrijven in de kinderopvang voor 90% van de omzet. Kinderopvang en zorglandbouw zijn de afgelopen jaren het meest in omzet gegroeid. Het agrarisch natuurbeheer is de afgelopen jaren vrij stabiel gebleven.
In het totaal blijkt in de provincies Groningen, Utrecht, Friesland en Zuid-Holland natuurbeheer in aantal de belangrijkste multifunctionele activiteit. In met name de zuidelijke provincies zijn boerderijverkoop en verwerking relatief belangrijk. Recreatie is een populaire bedrijfstak in Gelderland en Overijssel.
De impact van multifunctionele bedrijven gaat verder dan de inkomsten voor de betreffende bedrijven alleen. Zo werken er gemiddeld meer mensen op een multifunctioneel dan op een regulier agrarisch bedrijf. Ondernemers schenken aandacht aan het landschap en ervaren meer arbeidsplezier. Door de multifunctionele activiteiten op de bedrijven worden contacten met de burger gelegd. Dit onderstreept dat de multifunctionele landbouw niet alleen belangrijk is voor een vitaal platteland, maar ook voor de mensen in de stad.
Het LEI, onderdeel van Wageningen UR, heeft een overzicht uitgebracht van de bijdrage van het Nederlandse agrocomplex, ofwel de land- en tuinbouw en visserij en de daaraan gerelateerde sectoren, aan economie en milieu. Het aandeel van het agrocomplex aan de nationale toegevoegde waarde, de werkgelegenheid en het energieverbruik daalde tussen 2004 en 2009, maar het aandeel in de nationale broeikasgasemissies steeg. Het belang van het agrocomplex voor de Nederlandse exporten en het handelssaldo werd groter. Volgens het LEI biedt de biobased economy kansen voor groei.
Door de relatieve krimp van de land- en tuinbouw wordt onze voedingsmiddelenindustrie steeds afhankelijker van geïmporteerde agrarische grondstoffen. Het Nederlandse agrocomplex is daarnaast sterk afhankelijk van de export. Na een daling in de periode 2003-2007, stijgt het belang van die export voor de opbouw van toegevoegde waarde en werkgelegenheid van het agrocomplex tot ongeveer driekwart. Het handelssaldo van het agrocomplex neemt mede daarom toe van 10 miljard EURO in 1995 naar 11,3 miljard EURO in 2009.
Verschillende sectoren in beeld
De topsector Agrofood, die bestaat uit de deelcomplexen voor akkerbouw, grondgebonden veehouderij, intensieve veehouderij en visserij, draagt het meest bij aan de economische betekenis van het agrocomplex. De topsector Tuinbouw en Uitgangsmaterialen, die bestaat uit de deelcomplexen voor glastuinbouw en opengrondstuinbouw, neemt echter in belang toe. Binnen deze laatste topsector is het glastuinbouwcomplex verantwoordelijk voor meer dan de helft van het energieverbruik en voor bijna een derde van de broeikasgasemissies van het agrocomplex. Tegelijkertijd produceren tuinders de laatste jaren overigens meer elektriciteit - door inzet van warmtekrachtkoppeling – dan voor eigen gebruik nodig is. De sector levert die extra productie via het elektriciteitsnet aan derden.
Ondanks een stijging van de subsidies voor scheppende kunsten in de afgelopen decennia, blijkt het aantal topkunstenaars te zijn afgenomen. Het merendeel van deze subsidie ging naar de beeldende kunst.
Een en ander blijkt uit de studie 'Beeldende kunstbeleid en het ontstaan van topkunst' van onderzoekers van het LEI, onderdeel van Wageningen UR. De studie gaat over het effect van kunstsubsidies en het beeldende kunstbeleid over de afgelopen 65 jaar. Hierover is op 13 april in ESB gepubliceerd. Op grond van hun bevindingen stellen de onderzoekers dat kunstsubsidies geen aantoonbaar effect hebben gehad op grootse beeldende kunst.
Tussen 1946 en 2009 heeft de Nederlandse overheid ongeveer 5,5 miljard euro – teruggerekend naar euro’s van 2011 – uitgegeven aan scheppende kunst, inclusief de BKR en de (W)WIK. Het merendeel daarvan kan worden toegeschreven aan beeldende kunst. Die uitgaven vertoonden in de loop van de jaren een stijgende lijn waarbij opvalt dat de stijging na het jaar 2000 zeer sterk was, van 120 miljoen euro naar 290 miljoen per jaar.
Om te bepalen wat het effect is geweest van het beeldende kunstbeleid van de overheid hebben de onderzoekers als maatstaf de ontwikkeling van het aantal topkunstenaars genomen. Op basis van bronnen over topverkopende kunstenaars, alsmede bronnen over nationaal en internationaal bekende Nederlandse kunstenaars, is het aantal opkomende topkunstenaars per jaar bepaald. Van deze kunstenaars is uitsluitend die periode van hun loopbaan betrokken waarin ze bezig waren op te komen en door te breken. Dat is de leeftijdsperiode tussen 25 en 40 jaar.
Uit de studie komt naar voren dat het aantal opkomende kunstenaars vanaf de jaren zestig voornamelijk afnam, terwijl de subsidie-uitgaven veelal toenamen. Dit terwijl de economische groei in de jaren zestig op zijn naoorlogse hoogtepunt was, en het rendement van kunst veelal is toegenomen.
De onderzoekers trekken uit hun studie de conclusie dat ‘een positief effect van het Nederlandse kunstbeleid op de voortbrenging van grootse beeldende kunst geen steun vindt in de beschikbare gegevens over subsidies en aantallen kunstenaars’. Daarmee is een bezuinigingsmaatregel als het afschaffen van de Wet Werk en Inkomen kunstenaars ((W)WIK) in lijn met de bevindingen van hun artikel. Echter, ‘omdat het hierbij om een kleine uitgavenpost gaat is het budgettaire voordeel van de bezuiniging voor de overheid beperkt en zou met bezuinigingen op het overige deel van scheppende kunst een hogere uitgavenbesparing gerealiseerd kunnen worden. Indien de lijn uit het verleden doorgetrokken kan worden, zal dit waarschijnlijk geen grote gevolgen hebben voor het aanbod van hoogwaardige beeldende kunst’, voegen ze daar aan toe.
Veel Europese landen verbeteren hun agrarische kennis- en innovatiesystemen (AKIS) om zich voor te bereiden op grote landbouwvraagstukken in de toekomst. Deze inspanningen garanderen echter niet dat dit lukt. Dat wijst een Europees rapport uit, met daarin een bijdrage van een van de onderzoekers van het LEI, onderdeel van Wageningen UR.
Om innovatie te versterken is meer samenwerking en contact nodig tussen de AKIS-actoren zoals kennisgebruikers of mensen die werkzaam zijn op het gebied van landbouw onderzoek, onderwijs en voorlichting. Overheden kunnen beter deze interactie stimuleren, naast eventueel meer onderzoek. Dat concluderen de onderzoekers in het rapport Agricultural Knowledge and Innovation systems in Transition.
SCAR
Het rapport bundelt ervaringen uit de 37 landen en regio’s van de Europese Onderzoeksruimte. Het is geschreven in opdracht van de Europese Unie via het SCAR (Standing Committee of Agricultural Research). LEI-onderzoeker Krijn Poppe is mede-auteur van het rapport en - op verzoek van het Ministerie van EL&I - medevoorzitter van de werkgroep.
Uitdagingen
Aanleiding voor het onderzoek vormen grote uitdagingen in de toekomst voor de landbouw zoals het wereldvoedselvraagstuk en CO2-reductie. Deze uitdagingen zijn voor elk land gelijk. Maar de manier waarop zij hiervoor hun kennis- en innovatiesystemen organiseren, is verschillend. Tegelijkertijd vergroot de EU de inspanningen voor onderzoek en innovatie, ook in het landbouwbeleid.
De verduurzaming die in de Nederlandse supermarkten is te zien, mag ook verwacht worden in de shops van tankstations. Ruim 60% van de bezoekers van tankstations is geïnteresseerd in de aanschaf van duurzame producten. Om van de verkoop daarvan een succes te maken zijn echter wel een integrale aanpak en duidelijke communicatie nodig. Dat blijkt uit het onderzoek 'Kansen voor duurzaam eten onderweg' van het LEI, onderdeel van Wageningen UR.
Consumenten komen niet alleen voor benzine in het tankstation. Ze nemen er ook allerhande levensmiddelen mee. De kansen voor duurzaam eten en drinken in de shop van het tankstation zijn groot, volgens de onderzoekers van het LEI die meer dan 600 bezoekers van tankstations ondervroegen. Ruim de helft van de ondervraagden ziet de komst van duurzame producten in het assortiment als een goed initiatief, dat aansluit bij huidige ontwikkelingen in de samenleving. De duurzame varianten van verse producten zoals broodjes, koffie en zuivel blijken favoriet.
De mogelijkheden voor verduurzaming zijn er dus wel, maar het onderzoek laat ook zien dat enkel het aanbieden van duurzame producten niet genoeg is. Veel consumenten herkennen nog niet dat tankstations ook nu al duurzame producten in de schappen hebben staan. Zo heeft Shell al een 100% duurzame koffiecategorie, vis met het duurzaamheidscertificaat MSC en scharreleieren in de voorverpakte broodjes. Ook is er een zekere tegenstrijdigheid tussen de hoofdtaak, olieproducten verkopen, en het aanbieden van duurzame producten. Dat vraagt om uitleg. Een integrale aanpak en zichtbare communicatie, bijvoorbeeld in de winkel en bij het schap, zijn nodig om het koopgedrag van de consument te laten veranderen.
Snelle vooruitgang kan vooral worden geboekt bij degenen die al duurzame producten in de supermarkt kopen, bij vrouwen en bij verse producten, zeggen de onderzoekers. Daarbij zijn voedselwaarden als kwaliteit, smaak en prijs randvoorwaarden, terwijl 'vers en gezond' het motto moet zijn. Het begrip 'duurzaamheid' kan de kracht van dat motto versterken. Shophouders moeten zich volgens het rapport realiseren dat de consument het tankstation toch anders zal blijven zien dan een supermarkt. Ze doen er daarom goed aan juist aandacht te besteden aan de typische kenmerken van een tankstationbezoek, zoals het doen van impulsaankopen en het ter plekke consumeren van producten.
Het onderzoek werd gedaan in opdracht van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, en van de deelnemers aan de convenanten Marktontwikkeling Biologische Landbouw en Marktontwikkeling en Verduurzaming Dierlijke Producten. Daarbij is samengewerkt met Shell, de toeleveranciers van Shell Qizini, Arla Foods en Bakerstreet en onderzoeksbureau Foodstep. Hoewel het hier draaide om shops van tankstations, kunnen de resultaten ook worden betrokken op andere sectoren in het on-the-go-kanaal, zoals foodservice op treinstations.
Bezoekers van de eetgelegenheden van Resto VanHarte zijn goed te spreken over de formule van het 'samen eten'. Meer dan driekwart is bijvoorbeeld van mening dat Resto VanHarte bijdraagt aan de eigen lichamelijke, mentale en sociale gezondheid. Vooral het gezamenlijk eten en de sociale contacten zijn daarbij belangrijk. Dat blijkt uit het onderzoek 'Samen eten doet goed!' van het LEI, onderdeel van Wageningen UR, met een bijdrage van het Verwey-Jonker Instituut.
Resto VanHarte biedt een concept waarbij mensen in vooral stedelijke wijken gezamenlijk de warme maaltijd nuttigen die wordt verzorgd door professionele koks en vrijwilligers. Zo wil Resto VanHarte een bijdrage leveren aan de lichamelijke, mentale en sociale gezondheid in die wijken. Bezoekers krijgen er ook de kans om buurtgenoten te ontmoeten en kennis te maken met elkaars achtergrond en cultuur. Er waren in 2011 30 Resto's verspreid over het land. Resto VanHarte heeft in dit onderzoek model gestaan voor het concept van samen eten in de wijk.
Bezoekers noemen vooral de kwaliteit en variatie van het eten, de gezamenlijkheid en de actieve betrokkenheid van vrijwilligers als positieve kenmerken. Het gezamenlijk eten in Resto VanHarte heeft ook invloed op het eten thuis, blijkt uit het onderzoek dat het LEI uitvoerde in opdracht van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie in samenwerking met het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Sinds het eerste bezoek aan Resto VanHarte kookt bijna de helft van de bezoekers thuis op een andere manier: meer soorten eten en meer warme maaltijden. Een derde van de bezoekers zegt daarentegen minder vaak te zijn gaan koken omdat ze nu bij Resto VanHarte eten.
De VanHarte-formule blijkt het meest populair bij alleenstaande vrouwen boven de vijftig jaar. Samen eten met een vaste groep blijkt belangrijk voor de waardering van de bezoekers. Sociale activiteiten en informatieavonden worden ook gewaardeerd, maar zijn niet doorslaggevend.
De VanHarte-formule is een landelijk concept, dat volgens de onderzoekers wel lokaal ingevuld moet worden. Daarbij is een goede organisatie van de afstemming met de lokale cultuur een belangrijk onderdeel.
Informatie over Resto VanHarte: J. Muller
De meeste consumenten waarderen het als op voedselproducten het land van herkomst wordt vermeld, maar ze zullen die informatie niet de doorslag laten geven bij hun aankoop van voedsel of voedingsmiddelen. Ze vinden de informatie 'nice-to-know', maar niet 'need-to-know'. Dat blijkt uit het onderzoek 'Voedsel labelen met land van herkomst: leuk, maar geen voorwaarde; Onderzoek onder Nederlandse consumenten' van het LEI, onderdeel van Wageningen UR.
In opdracht van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie deed het LEI panelonderzoek onder bijna 900 consumenten om te achterhalen welke waarde de consument hecht aan het vermelden van het land van herkomst op het etiket van eten en drinken en welke rol die vermelding speelt in het koopgedrag.
De waardering van consumenten voor het vermelden van de herkomst vertaalt zich niet zonder meer in koopgedrag, zo bleek. Vaak wordt hetzelfde product zonder herkomstvermelding ook gekocht of wordt de herkomstvermelding over het hoofd gezien.
Grofweg onderscheiden de onderzoekers drie groepen, waarvan alleen de kleinste er duidelijk positief tegenover staat: 14%. Tweederde van de consumenten zit met zijn of haar oordeel tussen positief en negatief in, terwijl 21% er in het geheel geen behoefte aan heeft. Consumenten die zich het land van herkomst achteraf kunnen herinneren, hebben daar meestal op gelet omdat ze Nederlandse producten willen kopen, omdat ze vinden dat het iets zegt over de kwaliteit of om te weten over welke afstand het product is vervoerd.
De meeste consumenten blijken overigens niet te weten dat het vermelden van het land van herkomst een verplichting is vanuit de EU. Dat er nogal wat organisatie achter de schermen nodig is om zulke vermeldingen te realiseren en te controleren, daarvan is ook lang niet iedereen zich bewust.
Importeisen kunnen de export van Nederlandse agro-producten beïnvloeden. Dat blijkt uit een verkenning van niet-tarifaire maatregelen (NTM’s) door het LEI, onderdeel van Wageningen UR. Het rapport laat onder andere zien met welke NTM’s Nederlandse exporteurs te maken hebben en welke problemen op dit moment spelen.
Exporteurs moeten aan verschillende eisen van importlanden voldoen om hun producten op de internationale markten te kunnen verkopen. Het rapport ‘Exploring non-tariff measures in agri-food trade’ laat zien dat een aantal Nederlandse exportproducten het meest wordt beïnvloed door deze regels, oftewel NTM's. Het gaat om levende dieren, verse vlees- en visproducten, levende planten, zaden en snijbloemen.
Belemmeringen
Sommige eisen van importlanden lijken belemmeringen te vormen voor Nederlandse exporteurs van agro-producten. Met name conformiteitsbeoordelingen zoals bedrijfsgoedkeuring, en problemen met eindproducttests en exportcertificaten kunnen de verkoop van producten op buitenlandse markten hinderen. Overige eisen veroorzaken geen grote problemen, zolang de verkoop in de buitenlandse markt de extra kosten dekt die exporteurs maken om zich aan de regels te houden.
Transparantie
Exporteurs ervaren over het algemeen een gebrek aan transparantie in buitenlandse regelgeving en importeisen. Informatie over importeisen is niet altijd direct beschikbaar en is vaak complex. Bovendien blijken sommige eisen betrekking te hebben op 'non-issues' die al zijn opgelost of gebaseerd zijn op irrelevante of verouderde informatie. Informatie over importeisen is echter cruciaal voor markttoegang.
Door gebruik te maken van kooldioxide (CO2) uit de industrie kunnen glastuinbouwbedrijven duurzame energietechnieken toepassen. Deze aanpak helpt bij het behalen van de doelstellingen van het Agroconvenant dat de sector in 2008 met de overheid sloot over energiegebruik en CO2-uitstoot. Ook de ambities van het programma Kas als Energiebron zijn ermee geholpen. Dat blijkt uit de studie 'OCAP-CO2 en verduurzaming van energiegebruik van glastuinbouwbedrijven' van het LEI, onderdeel van Wageningen UR.
Nederlandse tuinders passen kooldioxide toe om de groei van hun gewas te stimuleren. Daarvoor gebruiken ze vaak CO2 die door energiebronnen op het eigen bedrijf is geproduceerd. Het LEI onderzocht in opdracht van CO2-leverancier OCAP wat het extern inkopen van CO2 aan verduurzaming bijdraagt. In de nu verschenen nota geeft het instituut een overzicht van de duurzaamheidswinst en de motieven van tuinders om CO2 toe te passen.
Wanneer tuinders de nodige kooldioxide extern inkopen, betekent dat dat ze zelf energietechnieken kunnen toepassen die minder CO2 uitstoten. Dat levert duurzaamheidswinst op. In de gemeenten Westland, Lansingerland en Pijnacker-Nootdorp hebben veel bedrijven de mogelijkheid om kooldioxide in te kopen via het leidingnet van OCAP (Organic Carbondioxide for Assimilation of Plants).
Motieven
Het LEI vond zes redenen waarom ondernemers kiezen voor extern inkopen van CO2. Bij drie van deze motieven wordt het energiegebruik daadwerkelijk duurzamer, namelijk:
Deze drie motieven dragen bij aan het behalen van drie doelen uit het Agroconvenant. Een overeenkomst die de sector in 2008 sloot met de overheid om tot 2020 de uitstoot van CO2 te verminderen, energie efficienter te gebruiken en meer duurzame energie toe te passen.
Vooral bij het verhogen van het aandeel duurzame energie kan ingekochte CO2 een belangrijke rol spelen. Daardoor komen namelijk duurzame energiebronnen zonder CO2-uitstoot in beeld voor toepassing op glastuinbouwbedrijven. De CO2 die wordt ingekocht bij een bedrijf als OCAP is al eens eerder uitgestoten door een industrieel bedrijf en voegt dus niets toe aan de bestaande CO2-uitstoot. Eigen warmteproductie met CO2-uitstoot doet dat wel.
Drie andere motieven om CO2 in te kopen - zeker zijn van de beschikbaarheid van het CO2, nastreven van schone kaslucht en het behalen van milieucertificaten - hebben geen direct effect op verduurzaming van het energiebeheer.
OCAP had eind 2009 bijna 550 afnemers met een gezamenlijk areaal van circa 1.750 hectare. Bijna driehonderd van deze bedrijven, met circa 1.100 ha, gebruiken alternatieve energietechnieken.
Een plantgezondheidsfonds of verzekering voor ondernemers kan ondernemers aansporen om het risico te verminderen op q-organismen, oftewel quarantaine(waardige) organismen. Het LEI maakte een model om de premies voor een dergelijk fonds te berekenen. Tot nu bestaat zo’n fonds nog niet.
Dat blijkt uit ‘Risicoanalyse van Q-organismen in de glastuinbouw’, een onderzoek van het LEI, onderdeel van Wageningen UR, in samenwerking met landbouworganisatie LTO. Hierin onderzochten LEI en LTO de risico’s van de Q-organismen Clavibacter en tomatengeelkrulbladvirus in de tomatenketen, en van PSTVd en Thrips palmi in de kuipplantenketen.
Premies
De premies van fonds of verzekering variëren per keten en q-organisme. In de kuipplantenketen zijn deze kosten afhankelijk van de hygiënestatus en de regiodichtheid van de PSTVd en Thrips palmi. Voor Clavibacter en tomatengeelkrulbladvirus in de tomatenketen zijn de premieverschillen tussen de bedrijven veel geringer.
Nederlandse consumenten waarderen het als de verpakking van levensmiddelen de herkomst van het product vermeldt. Ze vinden die informatie interessant, maar zullen er hun keuze niet beslissend door laten beïnvloeden. Daarvoor kijken ze toch eerder naar smaak, prijs en gezondheid. Dat blijkt uit het onderzoek 'Herkomst in de supermarkt; Consumenten over de rol van herkomst bij hun voedselaankopen' van het LEI, onderdeel van Wageningen UR, in opdracht van zuivelverwerker Vecozuivel en de vereniging van biologische melkveehouders Eko-Holland.
Aandacht voor de herkomst van een product heeft niet voor alle consumenten dezelfde betekenis. Vaak wordt daarbij gedacht aan het land van herkomst, maar het kan ook gaan om een regio, een streek of een bepaalde groep boeren. In het geval van melk denken consumenten bij 'herkomst' vaak aan de boer en zijn manier van boeren, en aan de koe en haar leefomgeving. Consumenten verwachten dat de melk die hier verkocht wordt ook uit Nederland komt. Dit beeld leeft sterker bij melk dan bij andere verse producten.
Consumenten die op de herkomst van producten letten, besteden vaak ook aandacht aan diervriendelijkheid, milieuvriendelijkheid en de vraag of er biologisch is geproduceerd. Consumenten die vaker biologisch kopen, laten de herkomst van het product zwaarder meewegen bij de aankoop.
Vooral op verse producten wordt de vermelding van de herkomst gewaardeerd. Op zulke producten, zoals vlees en vis, groente, fruit en zuivel, wordt de laatste tijd ook inderdaad de herkomst door consumenten gezien. Ook bij koffie, thee, deegwaren en bij bier en andere dranken is dat het geval. Toch blijkt dat ondervraagden in het onderzoek die zeggen op de herkomst van een product te letten, in meerderheid geen product kunnen noemen waarop ze een vermelding van die herkomst hebben aangetroffen.