
Afscheidsrede prof. Evert Schouten
“Voor een werkelijk relevant en realistisch advies is luisteren nodig, meedenken, inleven in de mogelijkheden, verwachtingen en belangen. De wetenschapper die door de overheid tot adviseren wordt geroepen moet daarom zijn onafhankelijkheid tijdelijk en ten dele opzij kunnen zetten. Een te onafhankelijk advies kan onbruikbaar, niet relevant en tot mislukken gedoemd zijn.” Met die woorden neemt prof.dr. Evert Schouten, op 2 februari afscheid als hoogleraar Voeding en preventie aan Wageningen University, onderdeel van Wageningen UR, en als directeur Risicobeoordeling en onderzoeksprogrammering van de NVWA.
Prof. Schouten gaat in zijn afscheidsrede ‘Risicobeoordeling rond het bord: Balanceren tussen onafhankelijkheid en relevantie’ in op de precaire situaties waarin onafhankelijke onderzoekers zich kunnen bevinden als hen om advies wordt gevraagd. Prof. Schouten stelt dat adviseren in feite inhoudt dat de raadgever iets probeert te bewerkstelligen, zonder daar zelf de middelen of macht voor te hebben. Het succes van het advies is dus afhankelijk van de ontvanger die wél de macht en middelen heeft. “Daarom moet de onderzoeker die op basis van zijn kennis om advies wordt gevraagd goed kunnen luisteren, een andere pet op kunnen zetten en andere vaardigheden kunnen inzetten. Dat vraagt om een balans tussen relevantie en onafhankelijkheid”. Heel onafhankelijk, maar niet relevant is bijvoorbeeld een advies voor een maatregel die het risico maximaal beheerst, maar onuitvoerbaar is, zoals een recall van een product met een zeer gering risico dat al bij de consument ligt. De recall is dan niet proportioneel en het advies kan zich beter beperken tot het uit de handel halen van het product.
Een van de oorzaken voor de lastige positie van adviserende wetenschappers is het feit dat er over gezondheid en ziekte bijna nooit definitieve zekerheid bestaat. “Er is altijd ruimte voor twijfel,” zegt prof. Schouten. De mate van die twijfel is afhankelijk van de robuustheid van de gehanteerde wetenschappelijke methoden en de onderbouwing van het advies. Als het onderzoek onafhankelijk is gebeurd maakt dat de uitkomsten geldiger (een grotere validiteit) en geloofwaardiger en dus met minder twijfel omgeven. Maar de onafhankelijkheid kan op de tocht komen te staan, bijvoorbeeld wanneer een wetenschapper een financiële vergoeding ontvangt voor het advies. Daarmee kan ook de integriteit van de persoon ter discussie komen te staan.
Uit het verleden zijn daar voorbeelden van. Zo kwam de onafhankelijkheid van enkele wetenschappers die voor EFSA (De Europese voedselveiligheidsautoriteit) werkten, in het geding vanwege vermeende belangenconflicten en adviseurschappen. Hun onafhankelijkheid, bijvoorbeeld bij het beoordelen van de veiligheid van genetisch gemodificeerde organismen, werd door belangenorganisaties en het Europese parlement ter discussie gesteld.
Ook kan de onafhankelijkheid van onderzoekers in het geding zijn als zij adviseren over eigen onderzoek. Te ver gaande uitspraken over de implicaties kunnen de geloofwaardigheid aantasten.
“Met onafhankelijkheid is een zekere spanning ingebouwd,” zegt prof. Schouten, “omdat adviezen, zeker de ongevraagde adviezen, niet altijd even welkom zijn bij het beleid en handhaving van de NVWA, terwijl de adviezen ook niet altijd worden onderschreven. Ze worden soms terzijde gelegd, om als de tijd rijp is, opvolging te krijgen”.
De afscheidsrede van prof. Evert Schouten in donderdag 2 februari in de Aula van Wageningen University (16.00 uur). Hij neemt afscheid als hoogleraar en als directeur Risicobeoordeling en onderzoeksprogrammering van de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA). Voorafgaand aan de rede is het minisymposium ‘Veilig en gezond voedsel. Over geloofwaardigheid’ (vanaf 13.30 uur).
Prof.dr. Pavel Kabat, internationaal expert op het gebied van water en klimaat, is benoemd tot directeur van het International Institute for Applied Systems Analysis (IIASA). Dit internationale instituut dat beleidsgericht onderzoek doet naar onder meer klimaatverandering, de wereldwijde beschikbaarheid van energie en duurzame ontwikkeling, is gevestigd Laxenburg in de buurt van Wenen, Oostenrijk.
Pavel Kabat gaf tot voor kort leiding aan de Earth System Science and Climate Change Group van Wageningen UR (University & Research centre) en aan Wageningen Climate Centre. Bovendien was hij wetenschappelijk directeur van het nationale onderzoeksprogramma Kennis voor Klimaat.
Prof. Kabat blijft hoogleraar Earth System Science aan Wageningen University, en directeur en bestuursvoorzitter van de Waddenacademie, onderdeel van de KNAW (Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen.
Voor meer informatie zie het (Engelstalig) persbericht van het IIASA.
De Wageningse onderzoeker van plantenziektes Bart Thomma heeft een Vici-subsidie van Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) ontvangen. Hij besteedt het bedrag aan onderzoek naar de strategie die schimmels inzetten om planten met succes te belagen. Bart Thomma werkt aan het Laboratorium voor Fytopathologie van Wageningen University, onderdeel van Wageningen UR.
Onder de titel ”Schimmel neemt gastheer bij de neus” gaat dr.ir. Bart Thomma onderzoeken hoe schimmels erin slagen om hun gastheren aan te vallen. De aanval is een opmerkelijk succes van de schimmel omdat alle gastheren, of het nu planten, dieren of mensen zijn, een immuunsysteem hebben om ziekteverwekkers te herkennen en onschadelijk te maken. Om hun gastheer te infecteren gebruiken de schimmels een geheim wapen dat het immuunsysteem van de gastheer om de tuin leidt. De Wageningse onderzoeker en zijn team gaan uitzoeken hoe dat wapen precies werkt.
NWO verstrekte aan 31 vooraanstaande wetenschappers een Vici-subsidie. Deze onderzoekers kunnen elk voor een bedrag tot 1,5 miljoen euro de komende vijf jaar hun onderzoeksgroep verder uitbouwen. Totaal is er dus circa 46 miljoen euro in wetenschappelijk onderzoek geïnvesteerd. De Vici-toekenningen vormen een van de grootste persoonsgebonden wetenschappelijke premies van Nederland. Voor Bart Thomma is het de derde keer dat hij een subsidie van NWO ontvangt. In 2004 ontving hij een Veni-subsidie voor ‘Genetische oorzaken van tomatenziekten‘ en in 2007 een Vidi-toelage voor ‘Loodgieten in de plant’.
Wat mag er nu wel en wat mag niet? Stelt u zichzelf die vraag en wilt u meer houvast hebben? Dan kunt u in deze ééndaagse cursus handvatten krijgen op het terrein van de etikettering van levensmiddelen. Maar de cursus gaat verder. Naast inhoudelijke verdieping, gaat u ook zelf aan de slag. Docenten en professionals uit wetenschap en praktijk zorgen voor een goede balans tussen diepgang, onderbouwing en praktische toepassing.
>>Lees verder
Mini symposium on the occasion of the thesis defense of Arun Kommadath on 24 February 2012.
Prof. Eckhard Wolf and Prof. Dirk-Jan de Koning, both members of the thesis defense committee, will give an overview of their recent research in the area of genetics.
10.00 h. Mari Smits: Welcome
10.10 h. Eckhard Wolf
Title: Reverse genetics in livestock
Eckhard Wolf is Head of the Institute of Molecular Animal Breeding and Biotechnology and Director of the Laboratory for Functional Genome Analysis (LAFUGA), Gene Center, University of Munich, Germany.
11.05 h. Dirk-Jan de Koning
Title: Toward in-vitro genetics: a case study of SOCS2
Dirk-Jan de Koning is Professor in Animal Breeding at the Department of Animal Breeding and Genetics, Swedish University of Agricultural Sciences, Uppsala, Sweden.
13.30 h. Thesis defense Arun Kommadath (Location: Aula)
Title: Genomic regulation of oestrous behaviour in dairy cows
» More information Thesis defense

Nederlandse bedrijven in uitgangsmaterialen - zaden, pootgoed en jonge planten voor de land- en tuinbouw- behoren qua omzet, handel en innovatie tot de top van de wereld. Dat blijkt uit onderzoek van het LEI, onderdeel van Wageningen UR. Veel van de grootste producenten in uitgangsmaterialen zijn hier gevestigd en dit verklaart mede de kracht van de agro- en foodsector in Nederland. De bedrijven besteden 15% van de omzet aan onderzoek en ontwikkeling en daarmee scoort de sector uitzonderlijk hoog.
Op de wereldmarkt voor uitgangsmaterialen heeft Nederland een sterke positie. Volgens de onderzoekers is bijna 40% van de wereldhandel in zaden voor tuinbouw en akkerbouw afkomstig uit Nederland. Voor pootaardappelen is dit aandeel bijna 60%. Het aandeel van Nederland in de Europese handel in uitgangsmaterialen voor sierteelt is ruim 40%.
Innovatie
De Nederlandse sector uitgangsmaterialen heeft deze internationaal leidende positie verkregen door constante product- en procesvernieuwing. Nederlandse bedrijven in plantaardige uitgangsmaterialen investeren gemiddeld 15% van hun omzet in Research& Development (R&D). Dat is meer dan in veel andere kennisintensieve sectoren, zoals farmacie. Hoewel de sector uitgangsmaterialen overal ter wereld actief is, wordt het onderzoek dicht bij huis gedaan. Ruim 60% van de bedrijven zegt het onderzoek in Europa uit te voeren.
Meerwaarde voor de keten
De hoge innovatie-inspanningen werpen hun vruchten af: Nederlandse bedrijven zijn al jaren internationaal koploper in aanvragen van kwekersrecht. Met hun innovatieve producten creëren deze bedrijven een grote meerwaarde voor de rest van de keten en dragen zij bovengemiddeld bij aan de Nederlandse kennisinfrastructuur.
LEI-brochure Uitgangsmaterialen.pdf
Windenergie in Nederland: toen, nu en straks
Op dinsdag 7 februari spreekt prof. Gerard van Bussel, hoogleraar Windenergie aan de TU Delft voor het Natuurwetenschappelijk Gezelschap Wageningen over het heden, verleden en toekomst van de windenergie in Nederland.
In de Gouden Eeuw was de windmolen een van de krachtigste industriële werktuigen, essentieel voor de ontwikkeling en de welvaart van ons land. 90 procent van de mechanische arbeid werd verricht door de wind. In de 19e eeuw decimeerde het aandeel in de mechanische arbeid door stoom- en verbrandingsmotoren.
Na de olieboycot in 1973 ontstond opnieuw interesse in windenergie en voor diversificatie van energiebronnen. Nieuwe windturbines werden ontwikkeld. De Nederlandse marktontwikkeling bleef helaas achter. Betrokken bedrijven kregen nooit een leidende rol op de snel groeiende internationale markt.
Nu, veertig jaar verder, merken we de gevolgen van ongebreideld gebruik van grondstoffen en uitstoot van broeikasgassen. De techniek staat niet stil. De tijd is rijp om wind als eindeloze energiebron op grote schaal in te zetten. In 2010 werd ongeveer 4,5 procent van ons elektriciteitsgebruik geproduceerd door windturbines, maar dat kan nog flink omhoog. Denemarken produceerde in 2010 23 procent van haar elektriciteit met windstroom en wil toe naar 50 procent.
Offshore windparken kunnen het aandeel groene stroom verder vergroten. De technologie daarvoor blijkt wezenlijk anders dan die voor windturbines op het land, en is nog grotendeels in ontwikkeling. Toekomstige offshore windturbines worden zeer groot worden, met diameters van 170 tot 200 meter en vermogens van 10 MW of meer.
Windturbines op ze en op land zullen dan 35 tot 40 procent van de elektriciteitsbehoefte in Nederland afdekken.
Gerard van Bussel (1952) is hoogleraar Windenergie aan de TU Delft. Hij is bestuurslid van de EAWE, de European Academy of Wind Energy.
Na de ondertekening van een convenant tussen onderzoeksinstituten Deltares, Alterra en IMARES (beide onderdeel van Wageningen UR), kunnen het bedrijfsleven en overheden de gezamenlijke kennis van deze kennisinstituten gemakkelijker benutten. De samenwerking garandeert opdrachtgevers een geïntegreerd antwoord op vraagstukken rond kust en zee, stroomgebieden en grondwater, deltagebieden, leefomgeving en landinrichting. Op 25 januari ondertekenen de directeuren van Deltares, Harry Baayen, IMARES, Martin Scholten en Alterra, Kees Slingerland in aanwezigheid van minister Verhagen van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie het convenant. De minister juicht het initiatief toe omdat overheden, het bedrijfsleven en opdrachtgevers nu efficiënter antwoord krijgen op hun vragen.
“Samenwerking tussen onderzoekers en ondernemers is de kern van ons Topsectorenbeleid", zegt minister Verhagen. ”Door dit convenant zijn de instituten in staat om samen te werken met ondernemers uit de Topsector water en nieuwe producten en diensten te ontwikkelen die de samenleving echt nodig heeft. Zo gaan we van kennis naar kunde naar kassa.”
De samenwerking tussen de drie kennisinstellingen is mogelijk doordat deze instituten zich allemaal bezighouden met kennisontwikkeling en het toepasbaar maken van deze kennis voor beleid en de dagelijkse praktijk. De drie instituten vullen elkaar inhoudelijk aan. Door de afstemming van het onderzoek en advies versterken de instituten de kennisbasis voor het Nederlandse bedrijfsleven en de overheid. De samenwerking beoogt ook de positie van het bedrijfsleven en de instituten op de internationale markt te verbeteren. Vaak vragen internationale problemen om een oplossing vanuit infrastructureel, technisch, ecologisch én bestuurlijk perspectief. Samen hebben de instituten deze disciplines in huis en kunnen ze een samenhangende oplossing bieden.
Deltares is een onafhankelijk toegepast kennisinstituut op het gebied van water, ondergrond en infrastructuur. Wereldwijd werkt Deltares aan slimme innovaties, oplossingen en toepassingen voor mens, milieu en maatschappij.
Deltares richt zich voornamelijk op delta’s, kustregio’s en riviergebieden. Omdat het beheer van deze dichtbevolkte en kwetsbare gebieden complex is, werken de medewerkers van Deltares nauw samen met overheden, ondernemingen, kennisinstellingen en universiteiten in binnen- en buitenland. Deltares stelt hoge eisen aan de kwaliteit van de kennis en de adviezen. Bij Deltares is kennis de kern. Deltares heeft ruim 800 medewerkers en is gevestigd in Delft en Utrecht.
IMARES en Alterra maken deel uit van Wageningen UR (University & Research centre). De missie is 'To explore the potential of nature to improve the quality of life'. Binnen Wageningen UR bundelen negen gespecialiseerde en meer toegepaste onderzoeksinstituten, Wageningen University en hogeschool Van Hall Larenstein hun krachten om bij te dragen aan de oplossing van belangrijke vragen in het domein van gezonde voeding en leefomgeving. Met meer dan 30 vestigingen (in Nederland, Brazilië, Ethiopië en China), 6.500 medewerkers en 12.000 studenten behoort Wageningen UR wereldwijd tot de vooraanstaande kennisinstellingen binnen haar domein. De integrale benadering van de vraagstukken en de samenwerking tussen natuurwetenschappelijke, technologische en maatschappijwetenschappelijke disciplines vormen het hart van de Wageningen-aanpak.
IMARES, Institute for Marine Resources & Ecosystem Studies, is een toonaangevend, onafhankelijk onderzoeksinstituut dat zich richt op strategisch en toegepast marien ecologisch onderzoek.
Alterra is het kennisinstituut voor de groene leefomgeving met expertise op thema’s als integraal waterbeheer & governance, klimaatverandering, de duurzame bodem, natuur & biodiversiteit en gebiedsontwikkeling & ruimtegebruik.