Herkomst en gebruik van de iep
Iepen zijn in Europa al zeker 2000 jaar in cultuur. Nederland kent drie inheemse soorten: de fladder- of steeliep (U. laevis), de bergiep of ruwe iep (U. glabra) en de veldiep (U. minor). Daarnaast komen veel hybriden tussen soorten voor; vanouds bekend zijn de Hollandse iepen (U. x hollandica), hybriden van U. minor en U. glabra.
Iepen stellen geen hoge eisen aan de bodem, zijn goed bestand tegen (zee)wind en verdragen strooizout en beschadigingen goed. Door deze unieke combinatie van eigenschappen is de iep bij uitstek geschikt als laan- en straatboom. Met name in de kustgebieden en de grote steden in het westen en noorden van Nederland was de iep tot aan de opkomst van de iepziekte dan ook eeuwenlang de beeldbepalende boom. Naast hun landschappelijke waarde en gebruikswaarde als laanboom hebben iepen ook grote waarde voor de biodiversiteit van insecten en epifyten.
Iepziekte
De eerste grote iepziekte epidemie, veroorzaakt door Ophiostoma ulmi, begon na de eerste wereldoorlog en heeft geleid tot het verlies van het overgrote deel van de Hollandse iepen (U. x hollandica klonen) in Nederland. Ter vervanging werden veel ‘Commelin’, ‘Vegeta’ en ‘Groeneveld’ iepen (ca 100 000 per jaar in de periode 1960-1975) en daarnaast veel veldiepen geplant. De opkomst van een nieuwe, agressievere iepziekteschimmel (Ophiostoma novo-ulmi) leidde tot een tweede epidemie waardoor de nog overgebleven iepen en de nieuw geplante, aanvankelijk minder vatbare klonen ‘Commelin’ en ‘Vegeta’ zeer zwaar werden getroffen. Ook de in het buitengebied veelvuldig geplante veldiepen (U. minor) werden (en worden nog steeds) massaal aangetast.
Hoewel de uitval door gecoördineerde actie van alle betrokkenen tot een aanvaardbaar niveau is te beperken, zijn veel groenbeheerders door de voortdurende iepziekte en de kosten verbonden aan het opruimen en vervangen van zieke iepen zeer terughoudend geworden in het planten van nieuwe iepen. Het gebruik van de iep is in de afgelopen decennia dan ook sterk afgenomen, hierdoor dreigt de iep steeds meer uit het Nederlandse landschap te verdwijnen.
Vervangers voor de iep
De iep kan als laan- en straatboom in de kustprovincies echter slecht gemist worden. Er zijn geen vervangende boomsoorten die alle goede eigenschappen van de iep in dezelfde mate in zich verenigen. Bij diverse gelegenheden werd door groenbeheerders en andere betrokkenen dan ook geconcludeerd dat de beste vervanger van de iep een iep is, mits resistent tegen iepziekte. De overige aantastingen van de iep zijn geen van alle echte bedreigingen voor de iep. Het probleem van instabiliteit wat bij een aantal rassen soms optreedt behoeft wel verdere aandacht bij de introductie en evaluatie van nieuwe rassen gezien het grote belang van dit soort “boomveiligheidsaspecten” in het tegenwoordige groenbeheer.
Na 1973 kwamen er geleidelijk meer klonen met een gedeeltelijke of gehele resistentie beschikbaar. ‘Columella’ is een volledig resistente Nederlandse iepenkloon; daarnaast zijn er in Nederland nog vijf andere klonen met een matige tot goede resistentie tegen iepziekte uitgegeven. Ook in het buitenland zijn meerdere resistente rassen met een vergelijkbare genetische achtergrond uitgegeven. In vrijwel alle gevallen gaat het om complexe hybriden van Europese soorten waar resistentie vanuit een Aziatische soort is ingekruist. In Nederland zijn inmiddels een zevental klonen uit de USA verkrijgbaar. Deze worden verondersteld een hoge resistentie te hebben maar zijn nog nooit onder Nederlandse omstandigheden getoetst of vergeleken met de Nederlandse klonen. Ten slotte zijn zeer recent in Italië en Frankrijk ook enkele nieuwe resistente rassen uitgegeven.
Gebrek aan vertrouwen
Deze nieuwe iepenrassen worden in Nederland echter nog slechts in beperkte mate aangeplant. Op een workshop met groenbeheerders en andere belanghebbenden bleek dat door de voortgaande problemen met iepziekte de iep bij veel ontwerpers en groenbeheerders een enigszins negatief imago heeft gekregen. Het ontbreekt bij veel mensen aan vertrouwen om de nieuwe (resistente) rassen op grotere schaal te gebruiken. Aan de andere kant geven veel groenbeheerders aan dat ze, wanneer er nieuwe ècht resistente iepen beschikbaar komen, deze zeker een kans zouden geven. Een gebrek aan vertrouwen houdt dit echter tegen. Dit gebrek aan vertrouwen beweegt zich langs twee lijnen: onbekendheid met de groei-eigenschappen van nieuwe rassen en het niet durven vertrouwen op de resistentie ervan.
Voor het garanderen van de toekomst van de iep als belangrijke laanboom in Nederland en het terugwinnen van zijn belangrijke plaats in het boomkwekerijsortiment zijn daarom bundeling en overdracht van kennis in combinatie met het opvullen van kennislacunes essentieel. Het gaat daarbij concreet om de volgende aspecten:
Meer informatie: jelle.hiemstra@wur.nl
Download:
Opvraagbaar bij PPO Bomen: